Een persoonlijke zoektocht

Publications / Press >> Tekst door Kees Verbeek


EEN PERSOONLIJKE ZOEKTOCHT door KEES VERBEEK

Zeker in de wat oudere kunst struikel je over de schedels, gedoofde kaarsen, verwelkte bloemen en omgevallen glazen. Allemaal vanitas- symbolen, bedoeld om de kijker onder de neus te wrijven dat het leven vluchtig en eindig is. Muziekinstrumenten in stillevens verwijzen niet altijd naar vrolijkheid, want muziek is weg zodra ze geklonken heeft. In de zestiende en zeventiende eeuw zijn luchtbellen gewild en wordt de zinspreuk homo bulla est nogal eens op grafstenen gebeiteld: de mens is een luchtbel gelijk. Iedereen weet wat er met een zeepbel gebeurt: na een feestelijk maar kortstondig zweven spat hij uit elkaar. Het plasje vocht dat rest, verdampt snel.
Het is alles ijdelheid.
Gedenk te sterven. Meestal zijn vanitaswerken bedoeld als verma- ning tot soberheid en in een enkel geval een aanmoediging er nog maar eens flink van te genieten. Boekenrecensent Carel Peeters merkt in 2011 in Vrij Nederland op dat in onze tijd vanitasstillevens niet meer nodig zijn. Het dagelijkse nieuws met zijn tsunami’s, aardbevingen en andere catastrofes zorgt ervoor dat we maar al te goed weten hoe precair het bestaan is. Anno 2016 kunnen we daar de angst voor aanslagen bij optellen. Het NOS Journaal serveert onze vanitas en als kijkers, meent Peeters, zouden we ons gelukkig moeten prijzen dat wij – met al dat dagelijkse onheil – nog niet aan de eindigheid ten prooi gevallen zijn.
De vanitasstillevens van Ruud van Empel zijn niet bedoeld als morele oproep. Noch tot soberheid, noch tot vrolijkheid.
Ze kunnen ook niet gelezen worden als uitnodiging tot opluchting omdat we er nog zijn ondanks alles. Van Empel doet verslag van zijn zoektocht naar zijn persoonlijke vergankelijkheid, zijn ontwikkeling van kind tot man, de verloren beeldcultuur van zijn jeugdjaren, de eerste blijken van zijn kunstenaarschap. Hij neemt ons mee langs de voorwerpen, de tekeningen, de foto’s die bewaard zijn gebleven. Spullen die ook zelf al de tand des tijds ondervinden.


De twee-eenheid van verleden en heden

‘Tijd is het draaien van de aarde, de dag- en nachtwerking, en doordat ze draait, wordt alles vernietigd. Die draaiing op zich zorgt ervoor dat alles langzaam maar zeker kapot gaat als we het niet onderhouden. Ik weet niet of dat zo is, maar dat is mijn theorie. Onze steden zijn waarschijnlijk over een paar honderdduizend jaar vervallen als we nu weggaan en er niet meer naar omkijken. Dat is een interessant beeld van vergankelijkheid.’
In zijn ruime werkkamer in Amsterdam praat ik met Ruud van Empel (Breda, 1958) over zijn drie series van Vanitas: Souvenir, Still Life en Souvenir d’Intime. Buiten is een rommelig stukje stad te zien. Water met woonboten, een rijtje zeventiende-eeuwse klok- en punt- gevels, een ophaalbrug, een montessorischool en het troosteloze kantoorgebouw van marktonderzoeker TNS-NIPO. Het verval heeft nog niet zichtbaar toegeslagen. De oudere panden zijn waarschijnlijk al twintig keer gerestaureerd. Het NIPO-gebouw kan maar beter direct aan de draaiing van de aarde worden overgelaten.
Hoe dat proces in zijn werk kan gaan is te zien in Varosha, op Cyprus. Veertig jaar geleden was Varosha een mondaine badplaats. Met zijn witte zandstranden, turquoise zee en historische centrum was het een van de populairste vakantiebestemmingen aan de Mid- dellandse Zee. Filmsterren als Paul Newman, Liz Taylor, Brigitte Bardot en Sophia Loren waren er graag geziene gasten.
Tot de Turkse invasie in 1974.
Halsoverkop verlieten de inwoners hun stad, alles achterlatend, in de verwachting er met een week weer terug te keren. Maar het Turkse leger sloot de hotels, kerken en stranden af. Sindsdien is Varosha een spookstad, een niemandsland. Verboden toegang. ‘Het levert fascinerende foto’s op. Vervallen hotels en restaurants, garages met auto’s uit die tijd, op een bar een flesje Cola dat hele- maal geërodeerd is tot een vulkaanachtig voorwerp, kleding die half vervallen is. Allemaal heel interessant als beeld om mee te werken als ik stillevens maak over vanitas, over vergankelijkheid. Alles is nog zoals het was toen de mensen het achterlieten en toch is alles veranderd in veertig jaar tijd. Niemand die eraan komt, niemand doet iets. Vergankelijkheid is een autonoom proces.’


Sterfelijkheid

Van zijn eigen sterfelijkheid wordt Van Empel zich ergens na zijn dertigste bewust. Mogelijk speelt het overlijden van zijn jongere zus in 1992 daarin een rol: ‘Voor die tijd was dat besef er helemaal niet. Geen enkele gedachte of gevoel daarover. Maar toen werd dat lang- zamerhand realiteit en zeker nadat in 2007 mijn moeder overleden is. Toen ben ik er ook meer over gaan nadenken als onderwerp. Het levert intrigerende beelden op, maar tegelijkertijd is sterfelijk- heid ook onwerkelijk. Je kunt er niet naar leven. Alles wordt zinloos als je je er voortdurend op gaat concentreren. Er is ook toekomst.’


Souvenir

In 2008 maakt Ruud de serie Souvenir, die een beeld geeft van de omgeving waarin hij opgroeide, een flat aan de Beverweg in Breda: ‘Het zijn fotografische reconstructies van de keuken, de slaapkamer, de woonkamer. Elk voorwerp is apart gefotografeerd en daarvan heb ik later deze fotografische collages gemaakt. Het zijn ook niet letterlijk reconstructies. Het gaat meer om sfeerbeelden. Maar het zijn wel onze voorwerpen. Bijvoorbeeld dat blikje Buisman in de keuken heb ik ook werkelijk in ons ouderlijk huis aangetroffen. Niets komt van de rommelmarkt. Als je het nu weer allemaal ziet, was er toch opvallend veel lelijkheid in die tijd. Mijn ouders gingen vaak ergens heen, op de fiets naar Moerdijk bijvoorbeeld, veertig kilometer verderop, en daar kochten ze dan een souvenir. Het huis stond er vol mee, want ze gooiden nooit iets weg. Ik vond zelfs nog een blikje babypoeder uit die tijd. Het zeil uit de flat lag nog bij mijn vader. Op zolder nog meubels uit die tijd. Niet mooi, maar wel ónze meubels. Misschien heeft de lelijkheid van die jaren mijn latere smaak bepaald, dat weet ik niet zeker. Feit is dat ik niet dol ben op modern en dat ik design onaangenaam vind. Kleding uit de jaren dertig, veertig en vijftig vind ik aantrekkelijker dan het casual spul van nu. Het heeft meer stijl. Ik heb vorig jaar een serie naakten gemaakt en daar monteer ik bij voor- keur zo’n ouderwets behangetje achter. Dat plaatst het beeld gelijk in een bepaalde context. Laat ik de achtergrond wit, wat veel moderner zou zijn, dan wordt het een compleet ander beeld dat niet per se mooier of beter is.’


Madeleine

In 1966 verhuist het gezin Van Empel naar een rijtjeshuis in de Ype- laar, een buitenwijk van Breda. Het is beslist een vooruitgang, drie keer zo groot als de flat en ook buiten meer speelruimte. Toch blijft die oude flat op een of andere manier een rol spelen. Niet in die eerste jaren, maar later: ‘Toen ik een jaar of tweeëntwintig was begon dat. Ik geloof niet dat er een speciale aanleiding toe was. Als ik er langs fietste, kwamen er herinneringsbeelden boven. Later ging ik er ook speciaal naar toe zonder precies te weten wat ik zocht. Zodra ik de voordeur zag, was er ineens van alles van vroeger, dingen waar ik niet per se naar op zoek was. Niet eens zo heel duidelijk. Sferen, stemmingen, vage beelden die ook vrij snel weer vervlogen. Proust schrijft daar over, in À la recherche du temps perdu. Hij noemt dat het madeleine-effect.’
Madeleines zijn kleine, schelpvormige cakejes. Proust schrijft hoe de verteller op bezoek bij zijn tante een madeleine in zijn kopje bloesemthee sopt. Die smaak heeft hij lang niet geproefd. Het activeert zijn geheugen en brengt langzaam jeugdherinneringen naar boven. Proust noemt dit de mémoire involontaire, de ongezochte herinnering, die moet worden onderscheiden van de bewust opgeroepen herinnering, de mémoire volontaire. Men zou kunnen zeggen dat de mémoire involontaire, die zich door associatie aan je opdringt, je verbindt met diepere lagen van je verleden, van je persoon. Dat wordt wel het madeleine-effect genoemd. In een aflevering uit 2000 van de documentaire tv-serie Van de schoonheid en de troost beschrijft neurofysioloog >Gary Lynch een soortgelijke ervaring. Omdat collega’s er zo op aandringen, kijkt hij naar een aflevering van de MTV-serie Beavis and Butt-Head. Enigszins verveeld, tot een van die twee pubers de zoveelste minimalistische grap maakt. Dit schiet zijn geheugen in en maakt contact met wat hij zelf the young Gary noemt. Hij rolt over de vloer van het lachen. Als jongen maakte hij ook dergelijke grappen! Die knul is er dus nog en voor de dan inmiddels bijna zestigjarige Lynch voelt dat als troost. Ruud: ‘Voor mij is het niet zozeer troostend. Meer een bewijs dat ik nog steeds dezelfde ben, dat verleden en heden samenvallen, dat je een optelsom bent van de tijd en ervaringen. En dat het niet verdwenen is. Als ik aan mijn jeugd denk, dan lijkt het een en al zomervakantie, met veel rust en lichtheid. Er waren ook wel donkere dingen, maar die roze wolkjes overheersen. Dat inspireert me. Een zoektocht naar iets dat def-initief voorbij is, maar dat er toch nog moet zijn. Het liefste had ik gewild dat mijn ouders in 1966 de sleutel hadden om- gedraaid en de hele flat – ingericht en wel – zo hadden achter- gelaten en dat wij nu met die sleutel...’


Bewaard verleden

Van Empel vertelt over een appartement in het negende district van Parijs, in de buurt van Folies Bergères, Place Pigalle en het Musée de la Vie romantique dat onder meer een gipsen afgietsel van de linkerhand van Chopin bewaart. Voor de Tweede Wereldoorlog huisde in dat appartement Marthe de Florian, een demimondaine met wel- gestelde minnaars en een extravagante levensstijl. Na haar overlijden in 1941 gaat haar kleindochter er wonen. Niet voor lang, want vanwege de Duitse inval neemt ze al snel de wijk naar Zuid-Frankrijk waar ze tot haar dood in 2010 zal blijven. Doordat ze al die tijd de huur betaalt, wordt ze in Parijs niet echt gemist en blijft het appartement een kleine zeventig jaar onaangeroerd tot haar erfgenamen er een kijkje komen nemen.
‘Wij kunnen er helaas alleen via foto’s binnen kijken. Fotografie is een manier om het verleden vast te houden. Je kunt zien wat er in het boekenkastje staat, wat er in de laatjes zit, wat er aan poeiertjes en geurtjes op de kaptafel staat, een grote knuffel van Mickey Mouse, een opgezette struisvogel. Alles niet meer helemaal helder, want grijzig onder een dikke laag stof, maar dat voorbije leven is nog zo voelbaar. Dat heb je ook als je in Pompeï of Herculaneum bent. Zonder stoflaag, maar dankzij de as uit de Vesuvius in 79 een van de best bewaarde Romeinse steden, met een tastbaar verleden. Je beleeft de tijd die verstreken is. Spectaculair! Tsjernobyl moet, met zijn heel andere verhaal, ook zo’n stad zijn. Toen ik na het overlijden van mijn moeder met al die oude spullen geconfronteerd werd, realiseerde ik me dat je ouder wordt. Dat er een dag komt dat alles voorbij zal zijn. Dat is het vanitasgevoel, denk ik. Het gaat over tijd en een ongrijpbaarheid die je toch probeert te vatten. Om van te leren en om jezelf te bepalen. Misschien weet je dan ook beter hoe je in de toekomst verder moet. Ik denk het wel, zonder dat nu direct heel precies te kunnen duiden. Het is ook eerder nieuwsgierigheid dan weemoed of nostalgie. Verleden en heden vormen een twee-eenheid.’


Still Life

Als Ruud in 2008 – hetzelfde jaar waarin de flat gesloopt wordt – het landschap van zijn jeugdjaren verbeeld heeft, hangen de foto’s een tijdlang aan de muur van zijn werkkamer. Mede doordat ze letterlijk hun plek hebben, krijgt ook het verleden zijn plek: ‘Daarmee was het goed en kon ik het achter me laten.’
Pas zes jaar later, in 2014, actualiseert Van Empel het thema van de vergankelijkheid in de serie Still Life. Niet aan de hand van zijn eigen geschiedenis, maar met klassieke beelden. Zorgvuldig geënsceneerde rottende vis, slachtafval van een markt in Barcelona in een kille, wit betegelde ruimte, een foetus op sterk water. De opge- zette dieren worden over de dood heen in museumopstelling in een kunstmatig leven gehouden, maar ook daar worden ze door de tijd achterhaald, slaat het verval toe, verpluist de vacht van de aap. Het uitstel van het opzetten vormt geen afstel. Ze vallen alsnog ten prooi aan die draaiing van de aarde. Stof kruipt ze in de leden, zoals stof Varosha op Cyprus overdekte en het Parijse appartement. Ook al die honderden spullen die Ruud van Empel aantreft in de inboedels van zijn ouders vallen ten prooi aan stof. Daar begint het mee.
De zeepbellen verwijzen naar de zinspreuk homo bulla est, die in de zestiende en zeventiende eeuw populair is en dan in tal van prenten wordt vereeuwigd: de mens is een luchtbel gelijk. Ze verschijnt ook op grafstenen. Erasmus schrijft daarover dat ‘niets breekbaarder, vluchtiger of lediger is dan het menselijk leven, dat daarom lijkt op een luchtbel in het water, die even snel opkomt als verdwijnt’.


Souvenir d’Intime

Intussen staan er dan nog steeds die drie verhuisdozen vol met aller- lei spullen uit de beide woningen van zijn ouders. Ook van alles dat meeverhuisd is van de flat aan de Beverweg naar de Ypelaar en daar naar de zolder verdween: ‘Spullen die je niet direct weggooit als je die huizen uitruimt, maar waar je ook niet direct wat mee doet. Die je wegzet. Voor ooit eens. Maar daar moet je dan toch eens doorheen. Zeker nu ik zo met vergankelijkheid bezig ging. Het viel me op wat ontzettend veel persoonlijke spullen ze heel liefdevol bewaard heb- ben. Mijn schetsboeken, een doosje met liefdesbriefjes van een meisje uit de eerste klas van de lagere school. Zo’n drieduizend foto’s.
Sommige zaten nog in lijstjes. Sommige waren verbleekt, wat op zich- zelf al een prachtig beeld van vergankelijkheid is. Spullen van mijn gehandicapte zus, tandjes, haarlokjes. Ik had het allemaal nog liggen en ik moest er een keer doorheen. Dat voel je.’
In de schetsboeken vindt Van Empel tot zijn verrassing enkele tien- tallen getekende zelfportretten terug. Van klein jochie tot ergens voor in de twintig, vlak voor zijn afstuderen op Sint Joost in 1981: ‘Ik wist niet dat ze er nog waren, maar ik herinner me nog dat ik ze gemaakt heb. Het was oefenen. Mezelf trainen in kijken en weergeven van wat ik gezien had. Ik had natuurlijk ook mijn broer als model kunnen vragen, maar die zou daar natuurlijk geen tijd voor gehad hebben. Dus dan neem je jezelf maar als model. Ik kan me nog goed herinne- ren hoe ik dan alsmaar met een spiegel in de weer was om mij als model goed te bekijken. Ik meen dat Van Gogh dat ook zo deed, als hij een nieuw schilderkundig inzicht wilde testen en geen geld had voor een model. Vaak was ik er niet tevreden over. Ogen te groot, neus scheef. Het is de enige manier om het te leren: doen, doen, doen. Samen met de andere tekeningen tonen ze de geschiedenis van het ontstaan van mijn kunstenaarschap.’


Moeder en vader

Vier van de tien werken van Souvenir d’Intime hebben rechtstreeks betrekking op Ruuds ouders. Mom en Dad zijn portretten, maar niet in de klassieke zin van het begrip. Beide werken zijn samengesteld uit voorwerpen, die hen op een of andere manier kenschetsen. Zoals de bolletjes wol en de PTT-pet, want moeder breit graag en vader is elektromonteur van telefooncentrales. De andere twee, Linda en Soldier, vertellen over een van de bijzonderheden van hun beider leven.
Linda is het meervoudig gehandicapte zusje van Ruud. Zij wordt geboren als hij twaalf is en wordt opgenomen in een instelling, waar moeder haar drie, vier maal per week opzoekt om voor haar te zorgen. Ze overlijdt in 1992, al voor haar eenentwintigste.
Vader is negentien als hij naar ‘ons Indië’ moet voor de koloniale oorlog, die in ons land Politionele Acties genoemd wordt. Het is voor hem één grote vakantie, vertelt hij later. Hij is er immers als elektromonteur en hoeft niet de rijstvelden of het oerwoud in waar hij elk moment door een zogenoemde terrorist (lees: vrijheidsstrijder) besprongen kan worden.


Nieuwe werkelijkheid

Net als het eerdere werk van Ruud van Empel is ook in de drie series van Vanitas niets wat het lijkt te zijn. Het zijn geen opstellingen die als zodanig gefotografeerd zijn. Van Empel fotografeert elk element en monteert de opnames later tot een geheel. Soms past hij de formaten aan, zoals bij de tekeningen die in het werk allemaal min of meer even groot zijn, in tegenstelling tot hun werkelijke om- vang. Zo ontstaat een nieuwe werkelijkheid. De vraag is voor hoelang: ‘Van de analoge fotografie weten we dat. Die heeft een beperkte levensduur. Van de digitale fotografie moeten we dan nog maar afwachten.’


Kees Verbeek
December 2015


by Ruud van Empel. All rights reserved.