Catalogues

Ruud van Empel Portraits

UNREAL REALITY

By Han Steenbruggen

Rummaging through a chest of drawers full of memories I stumbled upon an old album of my mother’s, an oblong handsized photobook containing, two by two, small black and white portraits. I remember how as a child I used to scrutinize the pictures of children of my own age from a distant past. Paging through this small album I realize how profoundly these images are etched in my memory: I recognize every detail of their clothing, the looks in their eyes, and I know exactly which portrait I am about to find on the next page. Slowly that same sensation that enraptured me as a child comes back to me, the feeling of being initiated into the unreal reality of days long gone by. Once more I imagine how a last hand of the photographer, a mother or a father pushed a cap just slightly more backwards or adjusted the ribbon in the hair, and I recognize the sense of helplessness with which the children resigned themselves to being photographed. Virtually all pictures show they are not posing, but rather submitting themselves, passive and vulnerable. They look at us, timidly, from a small world that has been wiped out by time. There is nothing I know of this little blonde girl with her silvery locks, of the boy with the dark hat. Even their names, though they were once told me, have slipped my mind. And quite possibly, it occurs to me, I did not really want to know who they were even then, because it would break the spell. Without identities, with no stories of their lives, no dates of birth or death, they are forever frozen in that single moment and forever lost in secrets.

Even though at first glance the works may seem to have been shot with a camera, on closer inspection it turns out this is not the case. All portraits have been meticulously composed from numerous photo fragments from the photographer’s digital archives. While the children in my little book were once part of a here and now, those in Van Empel’s pictures never are. Although surrounded by the imaginable, they were created, non-existent. With all the attention paid to physiognomy, detail and clothing they give an impression of realism, sometimes even hyperrealism. But at the same time the spotless beauty of the images, the features, the lighting and the accentuation of lips and eyes evoke a sense of alienation and artificiality. It is this tension between therealistic and the artificial that largely contributes to the mysteriousness of these images.

In his photoworks Van Empel pushes aesthetics to the limit. In assembling his images he creates smooth transitions, soft wallpaper patterns and he allows colours to bathe in a warm and sensitive play of light and shadow. Both in this chiaroscuro and in his texture his photoworks refer to artistic traditions that go back as far as the Renaissance and the Baroque.

Because of this process-based approach – carefully building fragment-by-fragment, composing and creating new images – his work is frequently associated with painting in a technical sense as well, especially to indicate that it has little to do with purephotography. In fact, both in content and in form the work relates to both painting and photography, but it belongs to the latter domain, because all fragments are photographic in origin.

Han Steenbruggen
Director Museum de Belvedere,
Heerenveen, Nederland

Ruud van Empel Portraits

ONWERKELIJKE WERKELIJKHEID

Door Han Steenbruggen

Rommelend in een ladekast vol herinneringen vond ik onverwacht het oude
albumpje van mijn moeder terug, een oblong fotoboekje op handformaat waarin twee aan twee kleine zwart-witportretjes waren gestoken. Ik weet nog hoe ik als kind aandachtig de foto’s bestudeerde van leeftijdsgenoten uit een ver verleden. Bij het door bladeren van het kleine album merk ik hoe diep die beelden in mijn geheugen zijn gegrift. Ik herken elk detail van hun kleding, de blik in hun ogen en weet precies welk portret ik op de volgende bladzijden zal aantreffen. En langzaam welt de sensatie op die me toen als kind vervoerde, het gevoel ingewijd te worden in de onwerkelijke werkelijkheid van ooit. Weer stel ik me voor hoe een laatste hand van fotograaf, moeder of vader die pet op het hoofd wat naar achteren schoof, de strik in het haar nog even schikte en herken ik de machteloosheid waarmee die kinderen zich overgaven aan het fotograferen. Op bijna alle foto’s kun je zien dat ze niet poseren, maar willoos en weerloos ondergaan. Wat schuchter kijken ze uit een kleine wereld die door de tijd werd uitgewist. Niets weet ik van dat blonde meisje met haar zilveren lokken, niets van de jongen met de donkere hoed. Zelfs hun namen, mij eens verteld, zijn mij ontschoten.  En wellicht, zo bedenk ik me, wilde ik toen ook eigenlijk niet weten wie het waren, omdat het de betovering zou verbreken. Zo zonder identiteit, levensverhaal, jaar van geboorte en van overlijden bleven ze bestorven in dat ene ogenblik en voor altijd geborgen in geheimen.

Toen Ruud van Empel mij zijn nieuwste fotowerken liet zien, moest ik onwillekeurig denken aan mijn herontdekking van enkele weken daarvoor. Ook zijn kinderen en jonge pubers zijn geplaatst tegen een achtergrond waar lichtreflecties de suggestie wekken van halo’s. Ook zij vertonen nauwelijks expressie en geven zich gelaten over.

Met een lege blik kijken ze voor zich uit. Zelfs de meisjes die recht het beeldvlak uitkijken, maken nauwelijks oogcontact en leveren zich over aan bekeken worden. In al hun onschuld en kwetsbaarheid poseren ze – of eigenlijk, presenteert de kunstenaars hen aan ons – en dat maakt dat je bijna het gevoel krijgt van onoorbaar bespieden. Evenals in mijn moeders album blijven de kinderen in Van Empels fotowerken verstoken van naam, identiteit en informatie, waardoor we in het ongewisse blijven over context zodat de verbeelding vrij spel krijgt omtrent waar en hoe.

Al lijken die werken op het eerste gezicht met de fotocamera geschoten, uiteindelijk zijn ze dat niet. Alle portretten zijn zorgvuldig samengesteld uit vele verschillende fotofragmenten uit het digitale archief van de kunstenaar. Waar de kinderen in het kleine boekje eens deel uitmaakten van het hier en nu, is dat met de kinderen van Van Empel nimmer het geval. Hoewel ze zijn omgeven van voorstelbaarheid, zijn ze gemaakt en nooit bestaand. Door alle aandacht voor fysionomie, detail en kleding wekken ze een realistische – soms hyperrealistische – indruk, maar tegelijkertijd roepen die smetteloze schoonheid van de beelden, de gelaats vormen, belichting en accenten van ogen en lippen het vervreemdende gevoel van kunstmatigheid op. Die spanning tussen het realistische en het artificiële draagt in belangrijke mate bij aan de geheimzinnigheid van de beelden.

In zijn fotowerken voert Van Empel de esthetiek tot het uiterste op. Tijdens het monteren schept hij vloeiende overgangen, zachte behangpatronen en laat hij kleuren wentelen in een warm, fijngevoelig spel van licht en schaduw. In dat clair-obscur als ook in stof uitdrukking appelleren zijn fotowerken aan schilderkunstige tradities die terugvoeren tot renaissance en barok. De procesmatige manier van werken – het zorgvuldig fragmentsgewijs opbouwen, componeren en creëren van nieuwe beelden – maakt dat ook in technisch opzicht zijn werk vaak in verband wordt gebracht met schilderkunst, vooral ook om nadrukkelijk aan te geven dat het weinig van doen heeft met zuivere fotografie.

Feitelijk oriënteert het werk zich formeel en inhoudelijk op zowel schilderkunst als fotografie, maar toch behoort het eerder tot het domein van de tweede, omdat alle fragmenten een fotografische herkomst kennen. Van Empels werkwijze refereert misschien aan schilderen, zoals de uiteindelijke afdrukken de suggestie wekken van reguliere fotografie, maar het werk wordt uiteindelijk bepaald door karakteristieken die toebehoren aan een geheel eigen discipline: computermontage. Door de jaren heeft Van Empel zich ontwikkeld tot een meester van die moderne discipline. Verkoos hij aanvankelijk meer theatrale ensceneringen waarbinnen de menselijke figuur was opgenomen, in de reeks Mood concentreert hij zich nadrukkelijker op de personages en laat hij anekdotische motieven achterwege. De kinderen zijn dicht op het beeldvlak geplaatst, waardoor onmiddellijk contact wordt bewerkstelligd, en de beelden vertonen raakvlakken met traditionele fotografieportretten, waarvan de fotootjes uit mijn moeders album eenvoudige voorbeelden zijn. In hun aandacht voor kleur, toon, licht-schaduweffecten en stofuitdrukking lijken ze te verwijzen naar de portretschilderkunst van de vroege renaissance, al kent zijn consequente keuze voor donkere kinderen in de geschiedenis van de westerse beeldende kunst weinig precedenten. Met de decoratieve patronen van achtergrond en kleding verlenen ze zijn beelden een aangenaam warme sfeer, die soms broeierig, dan weer sprookjesachtig aandoet en de verbeelding naar verdere gebieden voert dan de minder-dimensionale portretjes uit het fotoalbum.

Maar onderweg daarnaartoe sluimert voortdurend de achterdocht in elk oogcontact, het ongemakkelijke gevoel van bespieden wat weerloos is en de vertwijfeling die dat oproept, over en weer.

Han Steenbruggen
Directeur Museum de Belvedere,
Heerenveen, Nederland